De uggs onder de sneakers

March 18th, 2013

Eens in de zoveel tijd kom je het tegen – en de laatste tijd net even wat vaker dan voorheen lijkt wel; een trend op modegebied die gedragen wordt omdat het ‘zo lekker zit’. Yeah right. Zijn sommige mensen het eeuwenoude spreekwoord ‘wie mooi wil zijn moet pijn lijden’ soms vergeten? Waarschijnlijk is dit uit 1914 stammende gezegde aanvankelijk bedoeld voor vrouwen – zoals veel onpraktische zaken voor ons geslacht begonnen zijn- die amper konden ademen in hun korset of die drie kilo goud aan hun oorlellen hadden hangen. Alles voor het uiterlijk. Maar dat wil niet betekenen dat je daar tegenwoordig totaal niet meer over na hoeft te denken.

Toch lijkt het het-hoeft-niet-mooi-te-zijn-als-het-maar-lekker-zit-argument tegenwoordig de boventoon te voeren. Toen een of andere Australische schapenherder zich hiermee ging bemoeien leek het hek helemaal van de dam. De Ugg werd uitgevonden en duizenden meisjes, vrouwen en helaas ook mannen raakten eraan verknocht. ‘Het zit zo lekker’ en ‘het zijn net sloffen’ waren belangrijker dan de uitstraling. Maar als je zo graag sloffen om je voeten wilt hebben, kun je net zo goed de Simpsons-sloffen van de Scapino om je voeten doen. Het ziet er een stuk beter uit en het loopt als je de menigte moet geloven bijna net zo lekker.

Helaas hield het met deze geitenwollensokkentrend niet op. Birkenstocks kwamen, zagen en overwonnen. Opnieuw. Want deze achterhaalde leren lap tussen de tenen bestond al sinds 1964, stierf langzaam uit – met reden denk ik dan. Maar hij kwam terug. Geslacht, leeftijd, soort voeten, het maakt allemaal niet uit. Schaamteloos wordt hij gedragen door allerlei soorten mensen, die waarschijnlijk nooit goed naar de slipper hebben gekeken.

En dan zal ik maar helemaal niet over Crocs beginnen.

Gelukkig is er voor mijn mode-ergernissen een nieuw verschijnsel opgedoken: New Balance. Want jongens, deze lompe, grote, ondraaglijk lelijke sneaker in alle soorten en maten en kleuren met een enorm grote N erop moet toch direct bij wet verboden worden? Er is zelfs een sandaal-versie van verschenen. Want sandalen zitten ook ‘zo lekker’. Zullen we er dan meteen maar happysocks in doen? Om het plaatje compleet te maken?

Beste fabrikanten en bedenkers, ik denk dat het tijd is voor een nieuwe pijnlijke, maar prachtige kledingtrend. Zo eentje waar je niet op kunt lopen, maar die er o zo mooi uit ziet. Een ode aan ‘wie mooi wil zijn moet pijn lijden’. Opdat het spreekwoord nooit zal uitsterven.

Niet zo moeilijk doen: Better safe than sorry

January 9th, 2013

Better Safe Than Sorry

Zoekend kijk ik om me heen. Balie 21B. Ik sla rechtsaf, loop een trap af en loop achter iemand aan die zelfverzekerd haar weg door het grote gebouw waant. Ineens zie ik een bordje met 21B en ben ik op de plaats van bestemming. Bij de receptie zitten de receptionisten te kletsen met een dokter die er – ondanks zijn ziekenhuisoutfit – best appetijtelijk uitziet. Ga maar snel weg, denk ik bij mezelf. En warempel, een receptioniste draait zich om en de dokter draait zich om en loopt de deur uit. “Ik heb om 14.10 uur een afspraak”, zeg ik tegen de receptioniste, terwijl ik intussen hoop dat god momenteel mijn gebeden verhoort zodat de receptioniste niet over de hele afdeling roept waar ik voor kom. God heeft gelukkig vandaag niet de pik op één van zijn grootste ongelovigen. “De deur door, links en dan kom je in de wachtkamer, daar word je geroepen”, zegt de receptioniste. Ik prevel een ‘dankjewel’ en vervolg mijn route.

In de wachtkamer zitten drie mannen. Een man van middelbare leeftijd, grijze haren, een beetje kalend bovenop zijn hoofd, staart bijna geforceerd naar de grond. Een jongen van mijn leeftijd kijkt me schuchter aan vanonder zijn wimpers en slaat snel zijn ogen neer zodra onze blikken ons kruisen. De derde jongen in vuilniszakkenjas zit gefixeerd naar het scherm van zijn iPhone te kijken. Een ‘hallo’ is hier niet op zijn plaats voel ik en ik ga zwijgend zitten. “Meneer *ik zal zijn achternaam niet noemen, anders is het zo lullig*?”, vraagt een verpleegster. De oudere man staat op, steekt zijn hand uit naar de verpleegster en zegt ‘Peter’.

Wanneer de onder-zijn-wimpers-doorkijkende-jongen aan de buurt is krijgt hij een hoofd als een boei. Zijn schaamtegevoel spreekt boekdelen en hij mompelt zachtjes ‘Arco’ als hij de hand van de verpleegster schudt. Achter een stoel staat een kopje met koffieprut te verpieteren en de tafel met speelgoed voor kinderen ligt verborgen onder een laag stof.

De SOA-polikliniek. Altijd gezellig.

Maar eigenlijk moeten we al die schaamtegevoelens opzij schuiven. Het is niet iets om je voor te schamen, het is alleen maar goed om even voor de zekerheid te testen als je met meerdere mensen het bed hebt gedeeld. Zelfs als je het altijd veilig hebt gedaan. Immers: Better safe than sorry. Maar misschien dat ze op de SOA-poli in ieder geval een leuk achtergrondmuziekje op kunnen zetten, dan durf ik de volgende keer zelfs wel ‘hallo’ te zeggen.

Geen hakken. Ik herhaal: Geen hakken!

December 30th, 2012

Oud en Nieuw. Toch één van de feestjes – naast onder andere Lowlands en SvJ-feestjes – waar ik ieder jaar naar uitkijk. Lekker drinken met vrienden, champagne openen om 00.00 uur, vuurwerk kijken, honderdduizend zoenen uitdelen en dansen tot je voeten erbij neer vallen. Of eraf vallen, maar dat ligt ook aan de schoenen die ik die avond aan mijn voeten besluit te doen. Geen hakken. Ik herhaal: GEEN HAKKEN. Want dan ben je na drie dagen nog steeds op zoek naar de bal van je voet. Of naar je grote teen. Je ziet ze wel, maar je voelt ze niet. Ik heb één keer de fout gemaakt om vijf centimeter hoge hakken aan mijn voeten te doen (en dat is niet eens heel hoog) tijdens de nacht der nachten en daar ook nog eens heel enthousiast op te springen, dansen en rondjes te draaien. Toen de klok 03.00 uur sloeg zat ik ergens aan de zijkant op een barkruk beduusd naar de folteringen om mijn voeten te kijken terwijl mijn vrienden helemaal uit hun plaat gingen op De Gebroeders Ko, want dat is wat ze in kleine kutdorpjes in Brabant draaien op nieuwjaarsnacht. De volgende dag kon ik niet meer lopen en had ik de hele tijd ‘Ik heb een toet toet toeter op mijn waterscooter’ in mijn hoofd. Dat in combinatie met een kater waar je u tegen zegt is geen goed begin van je nieuwe jaar, kan ik je vertellen.

Maar goed, ook dit jaar wilde ik iets leuks, briljants, fantastisch en memorabels doen. De opties vlogen me om de oren. Berlijn. Rotterdam. Een Red Velvet feest – wat ik nogal als een Robijnfeest vind klinken, maar dat terzijde. Een huisfeest. Parijs. Of gewoon Utrecht. Maar waar sommigen dit heugelijke feest al maanden van tevoren plannen, ben ik nogal van het laatste moment. Het gevolg
van dat ‘spontane’ gedoe is alleen dat alle feestjes uitverkocht zijn en alle mensen om me heen al gepland hebben wat ze gaan doen. En daarom heb ik ieder jaar weer stress. Oud en Nieuw-stress. De lat ligt hoog, want ook ik wil heel hard kunnen roepen wat voor
fantàstisch feest ik ga meemaken en met wat voor geweldige mensen ik me ga omringen en wat voor lelijke barmannen ik met mijn dronken kop ga versieren. En dan gaat het mis. Want gewoon Utrecht is ook maar Utrecht en dat is niet spannend genoeg. En als ik voor één van de andere opties kies, loop ik de kans dat ik een ander heel leuk feestje compleet ga missen.

Besluiteloosheid is mijn grootste vijand in de voordagen van Oud en Nieuw. Dit jaar was dat niet anders. Maar omdat de stress me zo hoog kwam te zitten dat ik bang was moederziel alleen op de bank belandde in een kutdorp in Brabant heb ik gekozen. Ik heb gekozen voor gewoon Utrecht. Want gewoon Utrecht is met leuke mensen om je heen en zonder hoge hakken gewoon heel erg gezellig. En het feit dat De Gebroeders Ko niet gedraaid worden helpt natuurlijk ook wel mee.

Het leed dat verhuizen heet

December 11th, 2012

Verhuizen. Een klus waar menig zichzelf respecterend student zich meerdere keren aan waagt in zijn studententijd. Ik beschouw mezelf ook als enorm zelf-respecterend, want ik zit inmiddels middenin mijn vierde verhuizing. Iedere keer weer vraag ik me af waarom ik mezelf dit aan doe. En iedere keer weer doe ik een beetje minder moeite om mijn nieuwe kamer net zo op te leuken als de vorige. Geen likje verf meer. Geen mooie plankjes meer aan de muur. Geen tijd om te wennen aan je nieuwe stekje. Je weet immers nooit wanneer de volgende keer weer aanbreekt om alle glazen te wikkelen in keukenpapier. En om voor de zoveelste keer jezelf tussen alle snoertjes van de dvd-speler uit te vissen.

Ik begon ruim twee jaar geleden met drie kleuren verf op de muren. Mijn allereerste kamertje was gezellig, knus en lekker bont. Dat krijg je als je paars, blauw en geel combineert. Dat ziet er dus niet uit. Maar toch, het was fijn. Negen maanden lang. Toen ruilde ik Amersfoort in voor Utrecht.

In mijn roze-brillen-ogen was mijn nieuwe kamer in Utrecht een paleisje. Het was dan wel klein – 8 m2 –, maar het ging om de sfeer, niet om de grootte. Door die hoogslaper had ik eronder ook nog leefruimte. Hártstikke handig. Dat de douche in de keuken stond vond ik ook niet erg. Sterker nog, ik vond het wel ‘grappig’. Pas na ruim een maand kreeg ik door hoe vervelend het was om te douchen terwijl naast je iemand een eitje bakt. Hoe vervelend het was om iedere keer die hoogslaper in en uit te klimmen en om steevast je hoofd tegen het plafond te stoten. Tijd om verder te zoeken dus.

Na een kleine tussenstop zit ik inmiddels weer tussen de verhuisdozen. Maar liefst twaalf stuks – en dan heb ik de vuilniszakken met kleding nog niet eens meegerekend. Ik kom de cd van de Spice Girls tegen, waar ik vroeger enthousiast op stond te springen. Ik kijk vertederd naar de Winnie de Pooh knuffel die mijn oma me vorig jaar gaf. En hopeloos staar ik naar de grote hoeveelheid kaarsen die ik nergens meer kwijt kan. Het lijkt wel alsof ik iedere verhuizing plotsklaps twee keer zoveel spullen heb.

Aan de kamer heb ik niks gedaan; geen likje verf, helemaal niks. Maar het hoeft ook niet. Ik heb dan nog wel mijn roze bril op, maar zodra ik uit het raam kijk weet ik waarom ik het leed-dat-verhuizen-heet mezelf aan doe. Het fijnste plekje van Utrecht – het Wilhelminapark – staart me vredig aan. Ja, hier kan ik wel wennen.

Ga alsjeblieft allemaal zitten

November 28th, 2012


Het is weer zover, de tijd van het jaar dat je hele Facebooktimeline opstaat tegen kanker. We hebben net Movember (bijna) achter de rug en je komt de volgende kankercampagne weer in volle eer en glorie op ieder willekeurig moment tegen. Bekende Nederlanders die zichzelf promoten door heel hard te roepen dat ze opstaan tegen kanker en ondertussen Miep van Hupseflup uit Lutjebroek te woord staan over hoe verschrík-ke-lijk kanker wel niet is. En hoe erg ze meeleven met het overlijden van de broer van de buuurvrouw’s beste vriendin. En hoe gewél-dig het wel niet is dat ze acht euro wil doneren voor het ‘goede doel’. ACHT EURO. Fan-tás-tisch.

Dat allemaal onder toeziend oog van Kim-Lian van der Meij en Frits Sissing. Die zich zo goed kunnen inleven in Miep van Hupseflup’s buurvrouw’s broer van d’r beste vriendin. Ondertussen kan heel opstaand-Nederland twitteren met #ikstaop over hun lief en leed en kankerperikelen. Want iedereen wil vooral heel hard schreeuwen hoe zij ook opstaan tegen kanker. Je hoeft er niet eens voor te doneren om aan de hele wereld te laten zien wat voor goed mens je bent.

Begrijp me niet verkeerd hoor, ik vind kanker ook geen pretje. Ik vind het heel erg als ik hoor wat mensen allemaal moeten doorstaan als ze te horen krijgen dat ze borstkanker of darmkanker of longkanker of een ander soort kanker krijgen. Het is verschrikkelijk als iemand uit je omgeving ermee worstelt, of als je iemand kent die iemand kent die nog maar drie maanden te leven heeft, of als je tante aan de chemo zit en zich hondsberoerd voelt.

Maar alsjeblieft zeg. Om daar nou over te twitteren, over te facebooken en van de daken te schreeuwen DAT JIJ OOK OPSTAAT TEGEN KANKER. Dat gaat me mijn pet te boven. Kan niet iedereen gewoon lekker gaan zitten. In stilte denken aan degenen om je heen die met de ziekte te maken hebben en hopen dat het goed met ze zal gaan. En ondertussen op de bank, zittend, een paar euro over maken om, zittend, met z’n allen ervoor te zorgen dat hier ooit een medicijn (of iets anders) tegen wordt uitgevonden zodat we nooit meer hoeven OP TE STAAN tegen kanker.

Vragen vragen vragen, maar wie weet het antwoord?

November 28th, 2012

Vandaag hadden we het tijdens cultuurfilosofie over de Verlichting. Voor degenen die vroeger niet zo goed hebben opgelet bij geschiedenis: dat is die periode uit de eind 17e en gehele 18e eeuw waarin het individu belangrijk werd. Vragen stonden centraal als: wie ben ik? Wanneer ben ik gelukkig? Wat houdt mijn leven in? Wat wil ik met mijn leven? De docent betrok het op ons en vroeg het ons persoonlijk. Ik dacht erover na…

Toen ik klein was vroeg de juffrouw op de basisschool ieder jaar als ik jarig was wat ik wilde worden. Eén keer heb ik geantwoord dat ik ‘gelukkig’ wil worden. Sindsdien vraag ik me af en toe af of ik wel gelukkig ben. En wat ik wil met mijn leven. En god, de antwoorden erop zijn eindeloos. Als ik er over nadenk kan ik continu een ander antwoord bedenken. Het is veranderlijk. Ik wil namelijk heel veel verschillende dingen. Sterker nog, als ik iets heb bereikt wat ik wilde in mijn leven, ga ik wel weer op zoek naar iets anders. Op zoek naar een antwoord. En ik denk dat het zoeken daarnaar nooit ophoudt.

Want je blijft bezig. Met je carrière, in de liefde, met vriendschap. De vraag ‘ben ik wel gelukkig’ is misschien wel de belangrijkste vraag in het leven. Misschien is het in je carrière wel belangrijk, omdat je op die manier jezelf steeds meer moet pushen. Dat je het uiterste uit jezelf moet halen. Maar in de liefde zit die vraag soms behoorlijk in de weg. Mensen komen, mensen gaan. En misschien maakt dat het leven heel interessant. Aan de andere kant maakt dat het leven ook zoveel ingewikkelder. Vroeger moest je het doen met wat je had, tegenwoordig ben je nooit tevreden met wat je hebt omdat je je altijd afvraagt of je wel gelukkig bent.

Het antwoord op die vraag staat nooit vast. Je verandert continu, je groeit, je krimpt, je stoot je hoofd, je krabbelt op, je raakt mensen kwijt, je ontmoet nieuwe mensen…en je leven verandert mee. Hoe meer we over ons geluk nadenken, hoe minder we weten. Zelfs met dat gegeven blíjf ik me die vragen stellen. Maar waarom?

Verlichting, halleluja.

LIKE: ‘Ik ben super grappig en mijn oma is overleden’

November 22nd, 2012

Facebookposts. Een stroom aan informatie waar je soms om moet lachen, soms heel snel van wegkijkt, soms gefrustreerd van raakt en soms heel hard van moet zuchten. Een zekere persoon uit mijn timeline ergert zich af en toe aan de mate van posts die geplaatst worden. Vooral posts waarbij het overduidelijk is dat het ego van die zekere persoon gestreeld moet worden als: ‘(een zeker tijdschrift) belt, of ik voor 14.00 uur even een groot artikel wil schrijven, het is dat ze alsjeblieft zei’.

Nadat ik drie van dat soort frustraties van die zekere persoon over zekere posts voorbij zag komen vroeg ik me af of dat gevoel alleen geldt voor posts die er zó duidelijk bovenop liggen. Is het niet zo dat iedereen berichten op Facebook plaatst omdat hij zichzelf wil profileren? Zich op een bepaalde manier wil laten zien?

Natuurlijk gaat het niet alleen om de leuke berichten, want ook nieuwsberichten, Kakhielfoto’s en overlijdensberichten passeren mijn timeline wel eens. Het gaat om de aandacht. De hoeveelheid likes. De hoeveelheid reacties. En die aandacht wil ik zelf ook: ‘Twilight, dit was ons laatste samenzijn. Ik ben verliefd op je twee mannelijke hoofdrolspelers. Ik ben verliefd op je verhaal. Ik ben verliefd op je setting. Ik ben verliefd op je alles. Ik wil ook een glinsteren in de zon en trouwen met een sexy vampierman. EN IK SCHAAM ME ER DIEP VOOR.’ (Bron: mijn Facebook)

Waarom zou ik een kleine ode aan Twilight brengen terwijl ik me er stiekem voor schaam? Het antwoord is simpel: 13 likes, 11 comments. Als niemand zou reageren, als niemand het leuk zou vinden, zou ik diezelfde post nooit geplaatst hebben. Misschien zou ik het dan wel verteld hebben aan mijn vriendinnen en in een heel andere context, namelijk dat ik naar Twilight ben geweest en met giechelende meisjes in de bios zat en dat ik me toen een beetje misplaatst voelde. Dan zou ik het gewoon vertellen zoals ik het voelde.

Op Facebook neemt echter een schreeuwend, semi-populair alter ego de overhand om maar op zo’n leuk mogelijke wijze te vertellen wat voor fantástisch leven ik wel niet heb. Zelfs als ik een minder fantastisch leven heb, probeer ik het alsnog zó te brengen dat het lijkt alsof ik enorm grappig ben.

Toch blijf ik het doen, net zoals die zekere persoon dat blijft doen. En zoals de rest van de wereld dat blijft doen. Want ook deze blogpost verschijnt zo namelijk gewoon online. Op mijn facebook.

En dat alles voor de likes.

Van Dale: Esociaal, zich ~ gedragen

November 12th, 2012

In mijn hoofd bevindt zich een lijstje. Een bucketlist van alles wat ik gedaan of gehad wil hebben voordat ik dood ga. Nou weet je natuurlijk nooit wanneer dat moment gaat komen, maar – optimistisch als ik ben – ik ga er van uit dat het nog eventjes duurt. Een jaar of zestig of zo. Mijn bucketlist is lang. Heel lang. Het staat vol met clichématige dingen als parachutespringen, meedoen aan Expeditie Robinson, zwemmen in een helder meertje met op de achtergrond het gekletter van een pittoresk watervalletje, de zeven wereldwonderen zien, ieder land een keer bezoeken, zelf een keertje vliegen in een vliegtuig, rijden in een formule 1 wagen en meer van dat soort wensen. Maar het lijstje bevat ook onvoorspelbare verlangens. Zo wil ik voor mijn dood een boek hebben geschreven, wil ik de nieuwe Jelle Brandt Corstius (daar hoeft overigens geen geslachtsverandering aan te pas te komen) worden, wil ik een week verblijven in een Boeddhistisch klooster in Tibet en wil ik een zelfverzonnen woord in de Dikke van Dale hebben staan.

Die laatste bevat misschien wel de hoogste prioriteit op mijn bucketlist. Want hoe fantastisch zou het zijn als een woord dat jij hebt bedacht in de Van Dale staat. Met uitleg en al. Nou zou ik het liefste mijn naamsvermelding erbij willen zien staan, maar ik begrijp het volstrekt als dat niet mogelijk is. Ik heb immers nog nooit iemands naam zien staan bij een woord. En ieder woord moet door íemand verzonnen zijn, dus daar is natuurlijk geen beginnen aan.

Desondanks zou ik ook zonder naam heel gelukkig worden van de gedachte. En van de uitvoering overigens. Ik roep namelijk vaak dingen. Zonder er bij na te denken. Onbezonnen. Impulsief. En dan kraam ik ook wel eens iets uit wat niet bestaat. Wat dat betreft zou ik al veel woorden verzonnen kunnen hebben. Het probleem is alleen dat ik daarna die woorden altijd vergeet. Wellicht dat dat een struikelblok vormt voor dit bucketlistwensje…

En toen was er Tim – ja, ik weet dat het een naam is en geen zelfverzonnen woord. Ik vertelde mijn grote wens aan hem. En pats. Boem. Klats. Meneer steelt zomaar even mijn wens. “O! Dat had ik afgelopen weekend ook”, riep hij enthousiast. En zonder er maar een moment over na te hoeven denken vertelde hij over zijn esociale teamgenoot.

Gelukkig maar dat ik wel mag ‘helpen om het woord te introduceren’. Dus heel misschien staat er binnenkort op pagina 438 van de Dikke van Dale:

Esociaal: bn, bw, zonder sociaal besef, zich ~ gedragen, zonder te reageren op diens omgeving vanwege afleiding door smartphone of ander willekeurig elektronisch apparaat.

Smartphone-fietsverbod

October 16th, 2012

‘Hé, kijk uit!’, roep ik geschrokken naar het zwabberende meisje dat ineens spontaan naar links zwaait zodra ik haar in wil halen. Het meisje kijkt niet op of om. Haar rechterduim zit vastgeplakt aan haar smartphone en met haar linkerhand probeert ze in balans te blijven terwijl ze aan het fietsen is. Het viel me vandaag op hoeveel mensen geen vijf seconden zonder hun telefoon kunnen. Whatsappend, facebookend of twitterend slingeren ze door het leven. De één nog onoplettender dan de ander. Het hele normale leven – je weet wel, dat leven in 3d, de echte wereld – gaat totáál aan ze voorbij. Ze missen de twee omaatjes die rollator aan rollator beppen over hun kleinkinderen, of de moeder die met haar kinderen op zoek gaat naar mooie bladeren en kastanjes voor op hun herfsttafel. Maar bovenal missen ze de fietsende voorbijganger. Mij dus.

Vandaag werd ik daar goed chagrijnig van. Want ik ben door dit soort slingerende acties continu de dupe. Nou zou ik me af kunnen vragen of het aan mij ligt. Misschien ligt het aan de enorme snelheid waarmee ik op mijn roze fietsje door Utrecht sjees. Maar daar wil ik eigenlijk niet aan. Ik fiets hard, ja. Maar welke idioot gaat dan ook compleet op in zijn virtuele wereld terwijl hij ieder moment tegen rollator aanlopende omaatjes aan kan rijden? Waarom is het toch zo belangrijk geworden om te reageren binnen drie minuten ongeacht in welke situatie je je dan ook bevindt? Het is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering geworden om een berichtje terug te tikken terwijl je gezellig met vrienden aan het borrelen bent. Telefoontjes kunnen geen seconde uitgesteld worden. En op de fiets kun je dus tegen mensen aanrijden. Toevallig.

Dus. Ik wil een tijdmachine. Zodat ik naar de tijd kan waarin smartphones nog niet bestonden. Naar de tijd waar ik kan fietsen voor het leven, zonder te hoeven letten op zwabberende smartphone-bezitters. Naar de tijd waar ik een goed glas wijn kan drinken met iemand zonder dat diegene continu op zijn telefoon facebook en twitter bijhoudt.

Maar een smartphone-fietsverbod mag ook, want stiekem houd ik wel van onverwachte whatsappjes.

Een ode aan de sport

September 16th, 2012

Het was drie jaar geleden dat ik fanatiek had gesport. Twee keer per week, soms drie keer. Ik hield van sport en sport hield van mij. Ik keek ernaar uit, ik lachte het toe. Weer of wind. Niks hield me tegen, afgezien van een zware sneeuwbui wellicht, maar die zijn dan ook moeilijk te ontduiken. Het liefst sportte ik buiten. De geur van vers gemaaid gras kwam me vrolijk tegemoet. Ik hoorde de vogels rondom het sportveld. De zachte regendruppels die op mijn hoofd vielen tijdens een voorjaarsbuitje. De warme zonnestralen die me toelachten. Ik werkte me in het zweet. Ik wilde alles eruit halen wat erin zat. Soms viel het mee, soms viel het tegen. Maar altijd, echt altijd maakte het me gelukkig.

Ik weet nu dan ook niet wat me bezielde toen ik besloot er mee te stoppen. Per direct. Faliekant.  Ik dacht dat ik er nooit meer naar om zou kijken. Ik zou wel een andere sport vinden. Wat voor sport maakte me niet uit. In ieder geval zou ik blijven hardlopen, want mijn conditie mocht niet zomaar achteruit gaan. Mooie voornemens, maar zoals bij veel mensen kwamen die voornemens niet uit. Ik ging studeren. Kreeg het druk. Stopte met mijn studie psychologie. Ik ging werken. In Brabant. In Limburg. In Zwolle. Ik ging weer studeren, journalistiek dit keer, zat op kamers. Liep wel eens een rondje door het park, hardlopen heet dat. Of nee, laat ik het op joggen houden. Ik hield me voor toch echt met sport bezig te zijn. Ik ging verhuizen. Ik studeerde. Fietste daarentegen wel altijd naar mijn studie. Want ik was toch echt sportief. Kilo’s kwamen eraan. Voor degenen die mij kennen, dat waren niet veel kilo’s. Maar toch, ik was niet atletisch, ik was slank. Ja, ik was tevreden. Ik had een prima leventje. Biertjes, wijntjes, kletsen, stappen, studeren, vrienden, vriendinnen, festivals, muziek, schrijven. Ik deed alle dingen waar ik van hield. Maar er was iets…

En dat iets ontdekte ik toen ik me afgelopen donderdag op een sportveld begaf. Ik snoof de geur op van het pas gemaaide gras, luisterde naar de geluiden om me heen – iets minder vogels in Utrecht -, keek naar alle bewegende personen op de baan. Ik deed mee. Ik bewoog, ik rende, ik sprong. Ik voelde me vrij. Ik voelde me gelukkig. De dagen erna kon ik niet lopen van de spierpijn. Buikspieren, armspieren, beenspieren. Ieder spiertje in mijn lichaam voelde ik en ik realiseerde me dat ik niet zonder sport kan.

Atletiek. Ik hou van je. En jij van mij. Zullen we elkaar nooit meer kwijtraken?